Eindelijk ongestoord schrijven

De DTS
Deurhanger

Print, knip en hang ‘m op.
Wie durft jou nu nog te storen?

Nu kun je in rust werken aan je blog, roman of boodschappenlijstje.

Natuurlijk is tien minuten schrijven per dag niet genoeg om aan een roman te werken.
Toch zul je verbaasd staan over de hoeveelheid woorden, zinnen en alinea’s die je in tien minuten kunt schrijven.
Elke dag tien minuten schrijven is altijd meer dan je waarschijnlijk nu doet.
Nu stel je het schrijven steeds uit, omdat je <smoesalert aan> geen tijd <smoesalert uit> hebt.

Maak tijd. Jij hebt tien minuten.
Als je wakker wordt. Op de wc. ‘s Avonds in bed.
Schrijf je plannen voor de komende dag op, brainstorm over een idee, maak een lijstje, vang je gedachten.
Met tien minuten per dag (en dat kun je uitbouwen wanneer je wilt) train je je schrijfspier.
Je wordt er steeds beter in.
Beter en makkelijker schrijven is vooral een kwestie van oefenen. Van doen.
En doen is een kwestie van durven.
Of was durven nu een kwestie van doen?

Schrijf daar maar eens over.

Thuiswerken

De hand duwt voorzichtig de deurklink naar beneden. Geluidloos opent de deur van de studeerkamer.
Het is Mark, met een kop thee.
‘Kijk eens lieverd,’ fluistert hij, ‘een lekker kopje thee.’ Hij legt zijn hand op haar schouder, terwijl hij de dampende Ochtendmelange naast het toetsenbord zet.
Anouk kijkt op. Verdorie. ‘Dankjewel, schat.’
‘Lukt het een beetje?’
‘Ja, ik kom aardig op dreef. Ik zat er al helemaal in.’
‘Dan zal ik je verder niet storen.’ Hij knijpt nog even in haar schouder. ‘Als je iets nodig hebt, hoor ik het wel. Geniet jij maar lekker van je schrijfdagje. Ik heb alles onder controle.’ Op zijn kousenvoeten loopt hij terug naar de deur. Anouk buigt zich weer over haar toetsenbord.
‘Hoe laat wil je lunchen?’
Ze draait zich half om. ‘Weet ik nog niet, schat. Als ik een beetje ben opgeschoten. Uur of twaalf, één. Ik kom wel naar beneden, goed?’
‘Okidoki.’
Al snel vliegen haar vingers weer over de toetsen.
‘Mam, waar zijn m’n paardrijlaarzen?’ Emma hangt in de deuropening, één hand aan de klink, de ander aan de deurpost.
‘Weet ik niet, Emma. Vraag maar even aan papa.’
‘Hoe moet papa dat weten?’
‘Waarom moet ik het weten? Hup, ga zoeken. En ruim ze gewoon eens netjes op.’
‘Ja, ja.’ Emma trekt de deur weer dicht.
Anouk sluit haar ogen. O, wacht. ‘Emma,’ roept ze haar dochter na, ‘volgens mij staan ze in de schuur.’ Anouk wacht op een reactie. Niets. Ze draait zich weer naar haar laptop. Focus.
‘Ik kan ze echt niet vinden hoor.’ Emma staat weer in de deuropening.
‘Volgens mij staan ze in de schuur, Emma. Je zou de modder eraf spoelen met de tuinslang, weet je nog?’
‘O ja. Emma trekt de deur weer dicht, om hem meteen weer te openen. ‘Dank je, mam. Zeg dat dan meteen. Dan hoef ik je niet steeds te storen. Op je schrijfdag.’ Ze kijkt er vies bij.
‘En nu wegwezen!’ Anouk zucht diep en haalt haar handen door het haar. Ze leest de laatste alinea die ze schreef terug. En nog een keer. Dan voelt ze een warme, kleine hand op haar arm. Het is Thomas, met zijn befaamde pruillip. ‘Mama, ik wil niet dat papa me naar judo brengt. Ik wil dat jij dat doet.’
‘Mama is aan het werk, lieverd. Vandaag doet papa alles. Dat hadden we toch afgesproken gister?’
‘Ja, dat weet ik wel maar ik wil toch liever dat jij me brengt.’
‘Nee, Thomas, vandaag niet.’
‘Ah, hier ben je.’ Mark pakt Thomas bij de hand. ‘Je moet mama niet storen, Thomas. Sorry, schat. Wil je nog thee? O je hebt nog. Laat het niet koud worden. Ik doe straks wel boodschappen, heb je een lijstje? Emma, niet met die modderlaarzen door het huis lopen!’
‘Mam, de tuinslang doet het niet. Papa weet het ook niet.’
‘O ja, Anouk, weet jij hoe die buitenkraan werkt? Nee Thomas, niet bij mama op schoot, ga je judopak aantrekken. Ik breng hem zo weg, kun jij lekker schrijven. Let je wel op de bel? Ik verwacht een pakje, PostNL zou hier tussen acht en tien zijn, maar ja, het is nu al kwart over tien. Ik heb trouwens buurman Rob gesproken, hij komt zo even naar de afvoer in de badkamer kijken.’
‘Vandaag?’
‘Ja, hij kan alleen vandaag. Morgen gaan ze weer naar de camping. Maak jij even dat boodschappenlijstje?’
‘Ja. Maar ik moet eerst even iets printen.’